Aanvullende behandeling na een borstoperatie

In het kort

Na een borstsparende of borstverwijderende operatie kunt u in aanmerking komen voor een aanvullende behandeling om eventueel achtergebleven kankercellen uit te schakelen. Het kan gaan om radiotherapie, chemotherapie, hormoontherapie, immunotherapie of een combinatie. Na een borstsparende operatie krijgt u standaard radiotherapie.  

Welke behandeling?

Welke aanvullende behandeling u (eventueel) krijgt na een borstoperatie, hangt af van de uitslagen van het schildwachtklieronderzoek en het onderzoek van het verwijderde borstweefsel.

Het advies dat u krijgt voor verdere behandeling, wordt altijd besproken binnen het oncologisch team. Dit team bestaat uit een chirurg, een ver­pleegkundig specialist, een internist-oncoloog, een radio­therapeut, een radioloog en een patholoog anatoom (een arts gespecialiseerd in weefselonderzoek).

Radiotherapie

Na een borstparende operatie krijgt u altijd radiotherapie. Bij een borstverwijderende operatie hangt het af van de uitslagen van het schildwachtklieronderzoek en het onderzoek van het verwijderde borstweefsel. Radiotherapie bestaat uit een serie bestralingen waarbij kankercellen worden gedood met radioactieve energie. Alleen het gebied waar mogelijk kankercellen zitten, wordt bestraald. Bestraling doet geen pijn. Wel kunt u zich door de bestraling moe voelen. Ook kunt u huidproblemen krijgen.

Aantal bestralingen 

Met radiotherapie begint u in de vierde, vijfde of zesde week na de borstoperatie. Daarna gaat u vier tot zes weken lang iedere dag naar het UMCG (of de behandellocatie van het UMCG in Emmen), behalve in het weekend.

Voorbereiding

Voordat u start met radiotherapie, hebt u in het WZA of in het UMCG een gesprek met een radiotherapeut. Ook hebt u een afspraak met een radiotherapeut in het UMCG om de bestraling voor te bereiden.

Controle tijdens de radiotherapie

In de periode van de bestralingen hebt u één keer in de twee weken een controleafspraak met een radiotherapeut. 

Chemotherapie

U kunt chemotherapie krijgen na een borstoperatie als er op andere plaatsen in het lichaam tumorcellen zijn gevonden (uitzaaiingen) of als de kans groot is dat er ergens anders tumorcellen zijn. Chemotherapie is een behandeling met medicijnen. Deze medicijnen heten cytostatica. De medicijnen verspreiden zich via het bloed door het hele lichaam en kunnen op die manier de kankercellen doden. Cytostatica vallen naast de kankercellen ook de gezonde cellen aan. Gezonde cellen raken daardoor beschadigd, maar kunnen later weer herstellen. Bekende bijwerkingen van chemotherapie zijn: haaruitval, misselijkheid en braken. Veel vrouwen voelen zich tijdens een kuur niet lekker.

Chemotherapie bestaat meestal uit vier tot acht kuren. Na iedere kuur volgt een rustperiode van meestal drie weken om de gezonde cellen de kans te geven zich weer te herstellen. Wat voor soort chemotherapie u precies krijgt, hangt af van de uitslagen van de schildwachtklier- en weefselonderzoeken.

U krijgt de medicijnen met een infuus. Daarvoor gaat u naar het Interne Dagcentrum. U blijft daar een paar uur. De oncologieverpleegkundige van het Dagcentrum begeleidt u tijdens de kuren en belt u na de eerste kuur op om te horen hoe het met u gaat.

Begeleiding internist en coördinerend oncologieverpleegkundige

Vóór de start van de therapie

Voordat u start met chemotherapie, hebt u een afspraak met een internist. Dit is binnen vier weken na de operatie. De internist bespreekt dan met u wat de voor- en nadelen zijn van chemotherapie en welke bijwerkingen er zijn. Samen met de internist kiest u het behandeltraject dat bij u past. 

Daarna hebt u ook een afspraak met een coördinerend oncologieverpleegkundige. Zij gaat in op vragen die u misschien nog hebt. Als u lichamelijke of psychische klachten hebt, kunt u die met haar bespreken. Zo nodig kan zij u verwijzen naar een medisch maatschappelijk wer­ker, een psycholoog, een diëtist of een fysiotherapeut. Ook laat zij u zien waar het Interne Dagcentrum is. 

Tijdens en na de therapie

Voorafgaand aan iedere chemokuur wordt uw bloed gecontroleerd om te weten of u voldoende bent hersteld van de kuur daarvoor.

In de periode van de chemotherapie hebt u regelmatig contact met de coördinerend oncologieverpleegkundige. Als u problemen hebt, kunt u haar tijdens kantooruren altijd bellen.

Ongeveer twee maanden na de laatste chemokuur hebt u nog een afrondend gesprek met de internist en de coördinerend oncologieverpleegkundige. 

Hormoontherapie

Als kankercellen hormoongevoelig zijn, kan een internist hormoontherapie aanraden, eventueel als aanvulling op de chemotherapie. Eigenlijk is het een anti-hormoonkuur, omdat deze medicijnen tot doel hebben de in het lichaam aanwezige vrouwelijke geslachtshormonen (oestrogenen en progestagenen) buiten werking te stellen. Bij hormoongevoelige borstkanker hebben de borstkankercellen geslachtshormonen nodig om te kunnen groeien. Krijgen ze die niet, dan sterven ze af.

Bij hormoontherapie moet u meestal vijf jaar (soms langer) hormoontablet­ten slikken. 

Van tevoren bespreekt de internist met u wat de therapie inhoudt en met welke bijwerkingen u rekening moet houden.

Een verpleegkundig specialist neemt in de vierde en achtste week na het begin van de hormoontherapie contact met u op om te horen hoe het met u gaat.

Immunotherapie

Bij immunotherapie (doelgerichte therapie) krijgt u een behandeling met trastuzumab. Trastuzumab is een antilichaam dat de groei en deling van tumorcellen kan remmen. Ook stimuleert trastuzumab het immuunsysteem om de tumorcellen aan te vallen (vandaar de naam immunotherapie). Immunotherapie wordt vaak gegeven in combinatie met chemotherapie.

Een behandeling duurt een jaar. Om de drie weken komt u naar het ziekenhuis voor een kuur.

U krijgt het medicijn met een infuus op het Interne Dagcentrum. De oncologieverpleegkundigen van het Interne Dagcentrum begeleiden u tijdens de kuren. 

Begeleiding internist en coördinerend oncologieverpleegkundige

Vóór de start van de therapie

Voorafgaand aan de eerste kuur hebt u een gesprek met een internist. De internist legt uit wat immunotherapie inhoudt en wat de bijwerkingen zijn. 

Daarna hebt u ook een afspraak met een coördinerend oncologieverpleegkundige. Zij gaat in op de vragen die u misschien nog hebt. Als u lichamelijke of psychische klachten hebt, kunt u die met haar bespreken. Zo nodig kan zij u verwijzen naar een medisch maatschappelijk wer­ker, een psycholoog, een diëtist of een fysiotherapeut. 

Tijdens en na de therapie

Tijdens de therapie komt u om de drie maanden bij de internist voor controle. Daarbij wordt ook uw hartfunctie gecontroleerd.

Gedurende de hele periode hebt u regelmatig contact met de coördinerend oncologieverpleegkundige. Als u problemen hebt, kunt u haar altijd bellen.

Ongeveer twee maanden na de laatste kuur hebt u nog een afrondend gesprek met de internist en de coördinerend oncologieverpleegkundige.

Vragen?

Radiotherapie

Hebt u vragen hebt over radiotherapie? Neem dan contact op met de Patiëntenservice van de afdeling Radiotherapie van het UMCG. U kunt bellen van maandag t/m vrijdag tussen 8.15 en 16.30 uur naar telefoonnummer (050) 36 19 365.

Andere behandelingen

Hebt u vragen over chemotherapie, immunotherapie of hormoontherapie? Dan kunt u van maandag t/m vrijdag tussen 8.30 en 16.30 uur bellen naar de polikliniek Interne genees­kunde, telefoonnummer (0592) 32 51 55,  of naar de coördinerend oncologieverpleegkundigen, telefoonnummer (0592) 32 55 06.

  • U kunt uw vraag ook stellen via de BeterDichtbij app. U krijgt zo snel mogelijk antwoord, in ieder geval binnen drie werkdagen. Let op: u kunt pas een appje sturen als een medewerker van de polikliniek Interne geneeskunde in de BeterDichtbij app een gesprek voor u heeft aangemaakt.

 

chiru09 - juni 2019