Stuitligging

Ouder en Kind-centrum

  • Specialisme of afdeling Verloskunde
  • Openingstijden
    Maandag t/m vrijdag van 8.00 tot 16.30 uur
  • Afspraak maken? Vragen? De afdeling Verloskunde voor bevallingen en spoedgevallen: (0592) 32 50 90 De afdeling Verloskunde is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar

In het kort

Als een kind met het hoofdje bovenin de baarmoeder ligt en met de bil­letjes (stuit) naar beneden, spreken we van een stuit­ligging. Waardoor een kindje in stuitligging ligt, is vaak niet duidelijk. Soms zal de gynaecoloog proberen om uw kindje te draaien.

Blijft uw kindje in een stuit liggen, dan bevalt u in het ziekenhuis. In sommige gevallen zal uw kindje via een keizersnee geboren worden.

Wat is het?

Een stuitligging

Vroeg in de zwangerschap komen stuitliggingen veel voor: in de periode tussen de 20 en 25 weken ligt ongeveer een derde van alle kinderen met het hoofdje naar boven.

Als de zwangerschap vordert, draaien steeds meer kinderen met hun hoofdje naar beneden. Acht weken voor de uitgerekende datum, bij 32 weken, ligt 10-15% van de kinderen in stuitligging. Rond de uitgerekende datum is dat nog bij 3% van de kinderen het geval.

Tegen het einde van de zwangerschap kan worden geprobeerd om het kind te draaien. Dit heet een versie­poging, zodat het met het hoofdje beneden komt te liggen.

Soorten stuitligging

  • Onvolkomen stuitligging: de beentjes liggen gestrekt omhoog naast het lichaam
  • Volkomen stuitligging: de bovenbeentjes zijn gestrekt langs het lichaam, maar de knietjes zijn gebogen ('kleermakerszit')
  • Half onvolkomen stuitligging: één beentje ligt gestrekt naar boven, het andere beentje ligt naar beneden
  • Voetligging: het kindje ligt met een of beide beentjes ge­strekt naar beneden, zodat een of beide voetjes onder de billen liggen.

Oorzaak

Meestal (in meer dan 85% van de gevallen) is het onduidelijk waardoor een kind op het moment van de bevalling in stuitligging ligt. Wel is bekend dat een stuitligging vaker voor komt bij:

  • een vroeggeboorte
  • een meerlingzwangerschap
  • een afwijkende vorm van de baarmoeder of het bekken
  • een voorliggende placenta (moederkoek) of een myoom (vleesboom) bij de ingang van het bekken
  • aangeboren afwijkingen van het kind.

De behandeling

Echo

Om te bekijken of het verstandig is om het kind te draaien, vindt altijd een echo plaats. Hierbij beoordeelt de verloskundige de hoe­veelheid vruchtwater en de ligging van de placenta. Ook wordt er gekeken naar duidelijk zichtbare grote aangeboren af­wijkingen, die een enkele keer een oorzaak van de stuitlig­ging zijn. Verder gaat men na of het kindje met het hoofdje achterovergebogen ligt.

Draaien

De meest geschikte zwangerschapsduur om een kind te draaien is rond de 36-37 weken. Soms, als er niet zoveel vruchtwater is, kan het verstandig zijn dit al eerder te doen. Als er veel vruchtwater is of als de stuitligging pas laat ontdekt wordt, draait men het kind ook nog later in de zwangerschap. Tot aan de bevalling kan dit bijna altijd geprobeerd worden. Als uw kind gedraaid moet worden, gebeurt dit door een gynaecoloog.

  • Tijdens het draaien ligt u op een bed of onderzoekbank. Voordat de gynaecoloog met het draaien begint, controleert de arts met een CTG de hart­tonen en met een echo de ligging van het kind.
  • U krijgt een infuus met een weeën-remmend middel om ervoor te zorgen dat de baarmoeder soepel blijft en niet samentrekt.
  • Het is belangrijk dat u zo ontspannen mogelijk ligt en uw buikspieren niet aanspant. Soms is een kussen onder uw knieën prettig. Als u een goede hou­ding hebt gevonden, pakt de gynaecoloog met twee handen het kind vast. Eén hand pakt daarbij net boven uw schaambeen de billen van het kind en pro­beert deze omhoog te drukken. De andere hand pakt aan de bovenkant van uw buik het hoofdje van het kind en probeert dit naar beneden te duwen. Zo duikelt uw kind tot het met zijn hoofdje beneden ligt.
  • Voordat u naar huis gaat wordt uw kindje opnieuw gecontro­leerd met een CTG en een echo.

Kans van slagen

Of het zal lukken om een kind te draaien, valt niet altijd te voorspellen. Over het algemeen geldt: hoe vroeger in de zwangerschap en hoe meer vruchtwater, des te gemakke­lijker is het om het kind te draaien. Maar als er veel vruchtwater is, is de kans ook groot dat het kind voldoende ruimte heeft om uit zichzelf terug te draaien naar een stuitligging. Verder is het zo dat veel kinderen voor de 36e week uit zichzelf met het hoofdje naar beneden draaien.

  • Als de placenta tegen de voorwand van de baarmoeder ligt, is het vaak moeilijker om het kind vast te pakken dan wanneer deze tegen de achter­wand ligt. Soms ziet men er om die reden vanaf om het kind te draaien.
  • Bij een tweelingzwangerschap is het niet mogelijk om een of beide kinderen te draaien.
  • Ook bij een ernstig verhoogde bloeddruk of een litteken in de baarmoeder zal de gynaecoloog met u bespreken of het verantwoord is om het kind te draaien.
  • Als het is gelukt om uw kind te draaien, dan kijkt men bij een volgende controle altijd of het kind nog steeds met het hoofdje naar beneden ligt.
  • Is het niet gelukt om uw kind te draaien, dan krijgt u in ieder geval een me­dische indicatie om in het ziekenhuis te bevallen en staat u tijdens uw verdere zwangerschap onder controle van een gynaecoloog of een verloskundige van het ziekenhuis.

Risico's

Over het algemeen brengt het draaien geen risico’s met zich mee voor het kind.

Harttonen

Bij minder dan 10% van de kinderen zijn de harttonen na het draaien tijdelijk wat langzamer. Daar­om controleert men de harttonen na afloop nauwkeurig. Bijna altijd worden ze vanzelf weer normaal. Een heel enke­le keer blijven de hart­tonen afwijkend en is het nodig om direct een keizersnede te doen.

Gevoelige buik

Door het draaien kan uw buik een paar dagen gevoelig en pijnlijk zijn. Dit is vervelend, maar kan geen kwaad.

Anti-D-injectie

Bent u rhesus D-negatief en is bij het 27 weken-bloedonder­zoek gebleken dat uw kind rhesus D-positief is, dan krijgt u na afloop van een draaipoging een injectie met anti-D.

Vaginale stuitbevalling

Als u gaat bevallen van een kind in stuitligging, overlegt de gynaecoloog met u wat in uw geval het beste is: een 'gewone' bevalling (via de vagina) of een keizersnede. Over het algemeen vinden gynaecologen in Nederland een vagi­nale stuitbevalling verantwoord, als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Voor een veilig verloop van een vaginale bevalling is het van belang:

  • Dat er bij een vorige bevalling geen ernstige proble­men waren, zoals een moeizame vacuüm- of tangverlossing. Een gemakkelijke vacuüm- of tang­verlossing de vorige keer is geen bezwaar.
  • Dat het kind niet te groot is.
  • Dat het hoofdje van het kind voorovergebogen ligt en niet achter­overgebogen.
  • Dat het kind enigszins is ingedaald in het bekken.
  • Dat de ontsluiting en de indaling normaal verlopen en dat er een goede voortgang is van de uitdrijving.

Als het kind op het punt staat geboren te worden, is het te laat voor een keizersnede.

Ontsluiting

De ontsluitingsfase (waarbij de baarmoedermond opengaat) verloopt bij een kind in stuitligging niet anders dan bij een kind in hoofdligging. Zoals bij alle ziekenhuisbevallingen worden tijdens de ontsluiting de hart­tonen nauwkeurig gecontroleerd door middel van een CTG. Dit gebeurt soms via uw buik, maar meestal wordt er een elektrode op de bil van het kind geplaatst. Daarbij breekt men ook de vliezen. U voelt dan warm vruchtwater naar buiten stromen.

Om de sterkte van de weeën te meten, kan een dun slangetje (katheter) in de baarmoeder gebracht worden of een band om de buik gelegd worden.

Persen

Ook het persen verloopt bij een stuitbevalling niet anders dan bij een bevalling van een kind in hoofdligging. Wel maakt men bijna altijd een zogenoemd 'dwarsbed': het onderste gedeelte van het verlosbed wordt weggehaald en u plaatst uw benen in beensteunen. De gynaecoloog kan dan tussen uw benen staan om te helpen bij de geboorte van het kind.

Geboorte

Als een kind in onvolkomen stuit ligt, met de beentjes om­hoog, worden eerst de billen geboren, daarna de rest van het lichaam en de armpjes en tot slot het hoofdje. Bij de geboorte van het hoofdje drukt een assistent vaak boven uw schaambeen, om ervoor te zorgen dat het hoofdje goed het bekken passeert.

De geboorte van een kind in (half) onvolkomen stuitligging of voetligging verloopt hetzelfde, maar dan worden eerst een of twee beentjes geboren.

Complicaties vaginale stuitbevalling

Complicaties bij het kind

Kinderen in stuitligging die 'gewoon' (via een vaginale bevalling) ter wereld komen, worden vaker in een couveuse gelegd dan kinderen die geboren worden na een keizersnede. Na een vaginale stuitbevalling is bij onge­veer 1 op de 20 kinderen een couveuse nodig. Dat is ruim 10 keer zo vaak als na een keizersnede.

Er bestaan verschillende redenen om het kindje in een couveuse op te nemen. Soms heeft het kind na de geboorte behoefte aan extra zuurstof of moet het geholpen worden bij de adem­haling. Een andere reden voor een couveuseopname is een beschadiging die bij de geboorte is opgetreden, zoals een botbreuk, een zenuwbeschadiging of een hersenbloeding. Zo'n bescha­diging komt gelukkig zelden voor (bij ongeveer 1% van alle kinderen in stuitligging), maar wel vaker na een vaginale stuitbeval­ling dan na een keizersnede (ongeveer twee keer zo vaak).

Als uw kind in een couveuse moet liggen, kan het wel bij de moeder op kamer blijven. Dit noemen we gezinsgerichte zorg: moeder en kind blijven bij elkaar. 

Complicaties bij de moeder

De kans op complicaties bij de moeder is bij een stuitbevalling niet groter dan bij een kind in normale ligging.

Het is goed om u te realiseren dat de kans altijd aanwezig is dat de gynaecoloog tijdens een vaginale stuitbevalling besluit om over te gaan op een keizersnede.

Complicaties keizersnede

Complicaties bij het kind

Soms is het ook bij een keizersnede moeilijk om een kind dat in stuit­ligging ligt uit de baarmoeder te halen en kan er een beschadi­ging optreden.

Het komt voor dat een keizersnede te vroeg in de zwanger­schap gepland wordt, om een spon­tane bevalling te ver­mijden. Te vroeg geboren kinderen kunnen ademhalings­problemen hebben, waardoor opname op de couveuse­afdeling noodzakelijk is.

Complicaties bij de moeder

Hoewel een keizersnede op zich een veilige operatie is, brengt iedere operatie een kans op complicaties met zich mee. Sommige complicaties zoals bloedarmoede of trom­bose, komen ook na een gewone bevalling voor. Andere complicaties zoals een na­bloeding in de buik, een bloeduit­storting of wondinfectie, een beschadiging van de blaas of darmen die niet goed op gang komen, hangen samen met de keizersnede. Ook een blaasontsteking komt na een keizersnede vaker voor dan na een gewone bevalling.

Volgende zwangerschap

Aan een keizersnede houdt u een litteken over in de baar­moeder. Dit kan nadelig zijn bij een volgende zwanger­schap. Vanwege de verhoogde kans op complicaties krijgt u dan het advies om bij een volgende zwangerschap in het ziekenhuis te bevallen.

Vragen?

Als u een vraag hebt, kunt u contact opnemen met het Ouder en Kind-centrum. U kunt de medewerkers op verschillende manieren bereiken.

  • U kunt uw vraag stellen via de BeterDichtbij-app. U krijgt zo snel mogelijk antwoord, in ieder geval binnen drie werkdagen. Let op: u kunt pas een appje sturen als een medewerker van de polikliniek in de BeterDichtbij app een gesprek voor u heeft aangemaakt.
  • U kunt uw vraag stellen via MijnWZA (uw digitale dossier). U krijgt zo snel mogelijk antwoord, in ieder geval binnen drie werkdagen.
  • U kunt bellen naar de polikliniek Verloskunde. De medewerkers zijn dag en nacht bereikbaar, telefoonnummer (0592) 32 50 90.

Is het dringend?

Hebt u een dringende vraag, dan is het altijd het beste om te bellen!

 

verlos21 - oktober 2020